Ruimte maken – dinsdag 17 maart 2020

Dinsdag 17 maart, 13.30 uur

Ruimte maken, voor mezelf en voor de ander. Voor waarheid.
Voor wat er leeft, wat er is en wat erkend wil worden.

Ik kom van de garage vandaan, haalde mijn nieuwe oude auto op. En belandde in een gesprek met Hugo, de eigenaar van wie ik volgens mij al sinds 2003 – de tijd dat ik Anita leerde kennen – klant ben. OP de dag van mijn verjaardag kocht ik deze Ford Focus uit 2005 en de vraagprijs van 4250 euro heb ik neergelegd, zij het dat ik hoopte dat er nog een extraatje volgde. Dat sprak ik uit en eerlijk gezegd viel het me een beetje tegen dat er ‘niets’ naar mij toe kwam – een voordeeltje, een korting, een extra radio.

Hugo volstond met de zin, ‘voor 4250 euro heb je een goede auto’, toonde zijn brede lach en ging wat meer achterover hangen.  Ik had hem eerder gezegd dat het natuurlijk nooit kan gaan om 200 of 250 euro. Omdat hij – als hij zich tekort gedaan voelt, net zo makkelijk die paar honderd euro weer terug kan verdienen bij een volgende beurt of reparatie. ‘Ik kan niet anders dan me in dat opzicht helemaal aan jouw expertise overgeven,’ zei ik. Vertrouwen is dan het sleutelwoord, vrijgevigheid misschien wel de essentie. ‘Ik geef jou vertrouwen door te zeggen dat ik bij jou wil kopen. Dat scheelt voor ons beiden een hoop gedoe en energie. Ik hoop dat je mijn vertrouwen niet beschaamd,’ zo wierp ik hem bij het handen schudden nog toe.

Een kleine week later - als de auto rijklaar is gemaakt en hij mij officieel de sleutel geeft -  blijven we op een meter afstand van elkaar, vanwege het coronavirus. (Moet ik hier nu al wat over gaan zeggen?) Hugo is inmiddels 43 jaar geworden, maar voor die donderdag als overdrachtsdatum  – twee dagen na mijn verjaardag – kies ik even niet. Wel bel ik hem op die 12e maart even op, op hem te feliciteren. En nu – de dinsdag erop – zitten we aan de koffie in het personeels- en tevens wachtruimte. En ontvouwt zich voor mij een mooi gesprek als ik ook hem vraag naar de gevolgen van het coronavirus.

Hugo haalt zijn schouders op. Als ik morgen twee weken in quarantaine moet, dan doe ik hier de deur op slot en ga ik lekker thuis zitten. Zijn uitspraak is geen grootspraak, voel ik. Ik vertel hem dat ik eigenlijk ook best wel blij ben met wat er allemaal gebeurt en mogelijk kan gebeuren in deze ‘virale’ tijden. In de ontregeling van de maatschappij, waarin door het besmettingsgevaar overal deuren van instanties gesloten worden en uitdrukkelijk door de overheid aan mensen gevraagd wordt om zichzelf te beschermen door thuis te blijven en direct (ook sociaal) contact met anderen te vermijden, zie ik een potentieel, een kans op een belangrijke shift. Op een nieuwe aarde.

Ik vertel Hugo over de grote verandering die mogelijk is als de omstandigheden zich radicaal wijzigen (gelezen en geïnspireerd op Eisensteins’ boek Een betere wereld, dat ik voor mijn verjaardag kreeg van mijn NIVOZ-collega’s) en spreek mijn hoop uit dat dit wat mij betreft nog best een tijdje mag aanhouden. De huidige systemen, waarin we ons als mensheid gevangen houden, worden stilgezet omwille van de onzichtbare Corona-vijand en dwingen ons als het ware om naar binnen te gaan. Ik zie het als een reset van de mensheid en de aarde, waarin we onszelf vragen gaan stellen en waarin we zien dat alles met iedereen verbonden is.

De kans dat er dan een basisinkomen komt is groot, zeg ik hardop. En de kans dat schulden kwijtgescholden worden, lijkt me opportuun, als meer dan een miljoen ZZP’ers in de problemen komen en ook mkb-ers en bedrijven plots diep in het rood belanden . Dit kunnen we niet meer oplossen op onze gebruikelijke manier, vanuit het huidige economisch-sociale model met mogelijke rechtzaken, claims en ander gedoe. Dit vraagt om denken out-of-the box en doen wat er nu, hier en in deze context, gevraagd wordt en er dus toe doet..

Hugo luistert, ook als ik hem zeg dat we allemaal leven in het verhaal van Afgescheidenheid dat inderdaad al eeuwen rondwaart op deze planeet. Dat ik hem hoor zeggen – en hij niet alleen – ja, Rob , tijden veranderen, als je niet met de commercie meegaat, dan verkoop ik geen auto’s meer en sta ik met lege handen.’ Ik vertel hem over de competitie, waarin er winnaars en verliezers zijn, waarin de strijd altijd ten koste van een ander gaat en dat we dat spel wellicht diep in ons hart ook anders willen spelen. Hugo lacht en zegt me te kunnen volgen, maar vraagt zich tegelijkertijd af hoe dat nieuwe spel dan eruit gaat zien, want ik heb er nog geen flauw idee van.’

Ik ook niet, maar plots krijgt het gesprek een wending, een uitnodiging. ‘Geloof jij, Rob?’ Ik merk dat ik alert word, neem de uitnodiging aan en begin te vertellen over mijn mystieke ervaringen en goddelijke principes, het verhaal van Verbondenheid en het besef dat de pijn van de ander ook mijn pijn is. ‘Ik ben de laatste weken gevoeliger voor ongelijkheid,’ zeg ik hem en ik merk dat ik zelf deel ben van dat systeem van ongelijkheid. Ik heb de antwoorden niet, maar ik voel en zie het overal.’

Hugo vertelt dan over zijn eigen geloof, over de Bijbel die hij als handvat ziet en richtingaanwijzer  om het leven te leven zoals hij denkt dat goed is. ‘Tweeduizend jaar geleden lees je al over het kwaad dat de aarde zal overspoelen.’ Hij spreekt van het kwaad in de vorm van een duivel en dat we in het hiernamaals zien waar we terechtkomen. Hij ziet moslims die er anders over denken en ik vraag hem hoe hij zich tot die moslim - die ander – verhoudt. ‘Daar kom je toch niet uit. Dat is nu eenmaal zo met een geloof.’

We hebben het over bekeren en de neiging daartoe en over de betekenis die ik zie in de beweging maken naar de ander, en de intentie om je in die ander te verplaatsen, de vraag te stellen: hoe is het om die ander te zijn? Ik heb het over die ander willen zien. Echt willen zien. Om wie hij is. ‘We hadden nu in een discussie kunnen komen over geloof,’ zeg ik, ‘en wat het beste is, maar interessanter vind ik hoe jij komt bij de uitspraken die je doet. Want wat jij zegt is waar en niet minder waar dan wat ik zeg en daardoor in de manier waarop ik in het leven sta (of kan of wil staan?).’

We zitten zo een klein half uurtje te praten, tot ons beider genoegen, merk ik. Eenmaal thuis krijg ik zin om dit soort ontmoetingen vaker aan te gaan, misschien zelfs wel op te nemen in een podcast of geluidsopname. Geen interview, maar een tweegesprek dus. Ik heb de voorbije week twee van die gesprekken gevoerd voor het project over kunst en onderwijs dat ik heb ingezet vanuit NIVOZ, mijn werkgever. En ik merk hoeveel energie en zin ik ervan krijg. Ik las gisteren in Eisensteins boek een hoofdstuk over waarheid en blader terug.

Het nieuwe verhaal biedt ons de ruimte om opnieuw in contact te komen met wat aan verhalen voorafgaat, om energie te ontlenen aan de leegte die aan betekenis voorafgaat en waar dingen gewoon zijn.

Waar vinden we dan de waarheid? In het lichaam, in de bossen, in het water en in de grond. In muziek en dans en soms in poëzie. In de glimlach van een baby en achter het masker van een volwassene. In elkaars ogen, als we echt kijken, In de intimiteit van een innige omhelzing. We vinden haar in een lach en een snik en in de stem achter het gesproken woord. In sprookjes, mythen en de verhalen die we elkaar vertellen, zelfs als ze verzonnen zijn. Soms wordt een verhaal door het op te tuigen pas echt tot een vehikel van waarheid. Ze is te vinden in stilte en verstilling. In pijn en verlies. In geboorte en dood.

Utopia ligt slechts een enkele collectieve verschuiving van perceptie van ons vandaan. We zijn omgeven door overvloed. Het zijn slechts onze pogingen om torens te bouwen die ons er blind voor maken; we houden de blik immers voortdurend gericht o de hemel en pogen steeds te ontsnappen aan deze Aarde, aan dit gevoel, aan dit moment.

Dus hoewel het nieuwe verhaal spreekt van een plek voorbij en tussen de verhalen, brengt het ons niet daarheen. Het is een plek waar we vaker op zullen moeten teruggrijpen dan we tot nu toe gedaan hebben om onze verhalen te verankeren in waarheid.

Noem een ding dat alle plekken waar we volgens mijn opsomming waarheid kunnen vinden, met elkaar gemeen hebben. Wart ze gemeen hebben is dat het in alle gevallen de waarheid i die ons vindt. Ze komt als een geschenk. Dat is wat er juist is aan zowel de wetenschappelijke methode als aan het religieuze besef van een absolute waarheid buiten de wereld die door de mens is gemaakt. Beide zijn de belichaming van nederigheid. En in die toestand van nederigheid vinden we de waarheid waarin we onze verhalen kunnen verankeren.

Een oefening die hij vervolgens aanreikt, spreekt me aan. Het doet me denken aan focus-oefeningen en de repeterende vraag wie ben ik? In dit geval is het de vraag ‘Wat is waar?’

Neem een situatie, een keuze, een twijfel, onzekerheid waarmee je worstelt, iets waarvan je niet weet wat je ervan moet denken.
Beschrijf de situatie zo feitelijk mogelijk  en schrijf er vervolgens twee interpretaties op: verhaal 1 en verhaal 2. Die verhalen beschrijven wat de situatie betekent, de verschillende varianten van wat-als en wat het zegt over de betrokkenen.

Wat je merkt is dat je er geen onderscheid in kunt maken op grond van logica of bewijs. En je ziet dat het geen emotioneel neutrale, intellectuele constructie is. Ze hangen samen met een levensverhaal, een opvatting over de wereld. Verhalen reiken ons rollen aan die we vervolgens zelf spelen.

Dan vraagt de luisteraar:

  • Wat is waar?
  • Wat is er verder nog waar?
  • Ja, maar wat is waar?
  • Als dat waar is, wat is er dan nog meer waar?
  • Wat is er op dit moment waar?
  • Of nogmaals Wat is waar?
  • Tot slot: ben je er voor nu klaar mee?

Dit gaat wat mij betreft over ruimte scheppen, ruimte maken…

Op een gegeven voel je als verteller en luisteraar dat de waarheid naar buiten wil komen. Vaak heeft de waarheid die zich openbaart, betrekking op het ware gevoel dat de verteller er bij heeft, of op iets dat voor hem boven elke twijfel verheven is. Openbaart zich dat, dan ontstaat er een gevoel van bevrijding dat soms gepaard gaat met iets wat lijkt op een diepe zucht. (Ik denk aan Focussen…, de shift die je kunt waarnemen in iemand zijn, houding)

De waarheid welt als een geschenk op door de kieren tussen onze verhalen. Dat is iets wat niet te begrijpen valt. Het is een openbaring. Liefdevol ruimte bewaken vraagt het nodige geduld en soms zelfs enige standvastigheid, aangezien onze verhalen en de ermee gepaard gaande emoties ons juist naar binnen proberen te trekken.

Ik keer terug naar de voorbije wek, naar de film Parasite die ik met Roos op vrijdagavond in Kinepolis (wat een enorm zalencomplex) nog kon bekijken, voordat de bioscopen dicht gingen. De film en het onderwerp passen zonder dat ik het zie aankomen, helemaal bij wat er op dit moment leeft en wat er die dagen ter sprake is gekomen. Ik heb met Roos (in de sauna op donderdag) een gesprekje over Harvey Weinstein en de straf van 23 jaar die hij opgelegd heeft gekregen. Ik merkte mijn onvrede op. Niet direct vanwege de hoogte van de straf, maar meer met de situatie, het idee dat het hiermee afgedaan zou zijn. Het raakt voor mij het  (versleten?) idee van dader-slachtoffer, de dynamiek ervan, het gelijk halen via rechtszaken etcetera. Ik kom er niet uit, maar vind gehoor bij woorden die ik vervolgens weer lees bij Eisenstein. In zijn hoofdstuk over psychopathie:

Ons huidige verhaal werkt psychopathie in de hand en geeft de psychopaat macht. (Je krijgt de leider die je verdient, zou je in andere woorden kunnen zeggen). Omdat een machthebber zijn macht ontleent aan het verhaal, moeten we ons richten op het verhaal en niet op geweld als we machthebbers hun macht willen ontnemen en het systeem veranderen.

In Parasite leeft rijk en arm naast elkaar, in een Zuidkoraaanse stad. De een op een berg, de ander in de goot. En ze komen letterlijk bij elkaar in het steenrijke gezin Park, dat goedkope en betrouwbare hulp zoekt in hun leven, in het huishouden, met de twee kinderen. Het begint grappig, maar eindigt desastreus, horrorachtig. En stilletjes heeft de maker, de regisseur, al laten zien en voelen hoezeer de twee partijen gevangen zitten in het systeem. Hij gebruikt wendingen en omdraaiingen die voorbijgaan aan dat denken, omdat er alleen maar ‘slachtoffers’ zijn. Deze film draagt voor mij een impliciete boodschap. De twee – de polariteit - bestaat dankzij elkaar. Ze kunnen niet zonder elkaar en er valt eigenlijk niet aan te ontsnappen. Dat wordt letterlijk ervaren.

Met Luc, mijn vriend die een avond later op bezoek is, spreek ik erover, over Weinstein die volgens hem de twee extremen spiegelt. Hij spreekt over het spel van de macht. Eerst had de filmproducent deze, tot aan zijn aanhouding, nu – na deze rechtszaak – ervaren de slachtoffers ‘via het recht’ diezelfde macht. De veroordeelde Weinstein zie je letterlijk het verschil belichamen, de man stond fier overeind, maar is verworden tot een zielig hoopje mens dat zijn lot ondergaat en niet weet wat hem is overkomen.

Met Ralph en Stef zit ik maandagavond achter het scherm en luister ik naar ieders persoonlijke belevenissen. Naar mijn positieve geluid en optimisme in soms wat vage teksten, wordt geluisterd, maar beiden zeggen bij zichzelf een flinke tegenkracht opkomen, een ja-maar. ‘Ik dacht dat ik een optimist was, maar ik heb in Rob de meerdere gevonden,’ zo luidt de conclusie. Ik merk dat ik graag hoor wat zij ervaren en begrijp heel goed dat d situatie anders is als je te maken hebt met ouders (of een moeder zoals Stef) of kinderen, die nu thuis zitten en waarvoor je directe zorg en verantwoordelijkheid draagt. Ik heb makkelijk praten. Dat is waar. En daarnaast, denk ik, dat we door deze omstandigheden patronen aan het doorbreken zijn die ons naar het nieuwe verhaal leiden.

Ik zie mezelf ondersteunende posts doen op Facebook waarin deze spirituele boodschap wordt benadrukt. Ik tik als een malle deze tekst op, merk ik. En ik sta te trillen in mijn leven, als ik voel wat er allemaal nu kan en staat te gebeuren. Het is zoals Marnix en ik rond 2008 al vanuit Raakvlak, onze maatschap, zeiden ‘shift happens’. Ik meld me aan voor online ademwerk en sta in de startblokken op nog nadrukkelijker ‘waarheid’ te vinden in ontmoetingen met de stilte, de natuur en de ander.

Oh ja. Vanuit dat oogpunt wil ik , tot slot, nog eens citeren uit Een betere wereld. Eisenstein spreekt – vanuit het verhaal van Afgescheidenheid - van in de situatie iets of iemand ‘tot de ander’ (van het kwaad) maken.  Het is al zo dat het predicaat Kwaad op zich al een vorm van ‘tot ander’ maken is. (Kan het citaat nu even niet meer terugvinden, haha, maar kom er desgevraagd – voor mezelf in elk geval – later op terug 😉

Ahoo,

Het is 15.35 uur, weer  twee uur voorbij…

Rob

 

 

 

 

 

 

 

 

Deel Raakvlak...Share on Google+Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on TumblrShare on Facebook

No Comments Yet.

Leave a comment